Overwegingen

De werkgroep is van mening dat in de keuze van medicatie voor de behandeling van absences bij kinderen met een absence epilepsie van de kinderleeftijd rekening gehouden moet worden met zowel aanvalsvrijheid als het optreden van bijwerkingen. In individuele gevallen kan het eventueel optreden van bijwerkingen een reden zijn om een specifieke keuze qua medicatie te maken.

Een praktisch probleem bij het voorschrijven van ethosuximide is dat er alleen een (niet deelbare) capsule van 250 mg en een stroop van 62.5 mg/ml op de markt is. Dit betekent dat vaak stroop moet worden voorgeschreven als het ophogen van de dosis met hele capsules van 250 mg te veel is voor het lichaamsgewicht van het kind. Ethosuximide is in Nederland alleen geregistreerd voor de behandeling van absences (http://www.fk.cvz.nl/). Het beschermt niet tegen gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen. Dit betekent volgens de werkgroep dat ethosuximide geen logische keuze is wanneer de kans op het optreden van tonisch-clonische aanvallen verhoogd is (debuut >9 jaar, hogere frequentie piekgolfcomplexen en polypiekgolfcomplexen).

Van de middelen carbamazepine, oxcarbazepine, fenytoïne, fenobarbital, vigabatrin, tiagabine, gabapentine en pregabaline is het algemeen bekend dat deze bij kinderen met een absence epilepsie van de kinderleeftijd geen effect hebben, tot een toename van aanvallen leiden of zelfs tot een absence status kunnen leiden (Raspall-Chaure et al., 2008; Thomas et al., 2006). De werkgroep ontraadt daarom het gebruik van deze middelen bij de behandeling van kinderen met een absence epilepsie van de kinderleeftijd.