Vastgesteld: 15 november 2013

Inleiding

Een aanzienlijk deel van de symptomatische lokalisatiegebonden epilepsie wordt veroorzaakt door oncologische afwijkingen in de hersenen. Hieronder vallen de primaire hersentumoren, zoals de astrocytomen, en de secundaire hersentumoren (hersenmetastasen). Bij 30 tot 50% van de patiënten met hersentumoren is een epileptische aanval het eerste klinische verschijnsel van de tumor (van Breemen et al., 2007). Epileptische aanvallen treden op bij 60 tot 85% van de patiënten met laaggradige tumoren (zoals astrocytomen, oligodendrogliomen) en bij 30 tot 50% van de patiënten met hooggradige tumoren (Kerrigan & Grant, 2011).

Het optreden van epileptische aanvallen als vroeg symptoom bij patiënten met een laaggradig glioom heeft een gunstige prognostische waarde. Als echter na een aanvalsvrije periode epileptische aanvallen recidiveren, dan is dit juist gerelateerd aan een slechtere prognose (Danfors et al., 2009).

Ook bij patiënten met een oligodendroglioom is de relatie tussen epileptische aanvallen en overleving complex. Patiënten met een enkele epileptische aanval hebben de beste overlevingskans. Als zich geen epileptische aanvallen voordoen hebben patiënten in de eerste jaren na de diagnose de slechtste prognose (Mirsattari et al., 2011). Bij patiënten met een hersentumor kan een het opnieuw optreden van epileptische aanvallen wijzen op tumorprogressie (Chang et al., 2008).

De relevante literatuur die ondersteuning biedt om de uitgangsvragen te beantwoorden zal aan bod komen. Het gaat dan om de volgende uitgangsvragen: