Vastgesteld: 11 juni 2018

Uitgangsvraag

Wat is de beste behandeling van psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA)?


Inleiding


Lees meer

Psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA), in het Engels psychogenic non-epileptic seizures (PNES), zijn aanvalsgewijze veranderingen van bewustzijn of gedrag en/of neurologische verschijnselen (zoals bewegingen, sensaties of gevoelens). Deze vertonen vaak klinische gelijkenis met epileptische aanvallen. Epilepsie heeft als oorzaak elektrofysiologische ongecontroleerde ontladingen van neuronen. Dit is niet het geval bij PNEA. Ook mag er geen sprake zijn van een andere organische oorzaak die de verschijnselen verklaart, of van simulatie. Er is voor PNEA geen eenduidige psychiatrische karakterisering te geven. PNEA wordt vaak ondergebracht in de categorieën conversiestoornissen, somatoforme stoornissen en dissociatie.

Om de diagnose PNEA te stellen zijn twee stappen noodzakelijk. Ten eerste moeten epilepsie en andere organische verklaringen onwaarschijnlijk gemaakt worden als verklaring voor de aanvallen. Er is geen specifieke semiologie die met zekerheid duidt op PNEA dan wel epilepsie. Het gaat om de combinatie en het verloop van symptomen en eventueel bijkomende (afwijkende) bevindingen bij aanvullend onderzoek. In de tweede fase moeten psychosociale onderliggende factoren gekarakteriseerd worden. Daarbij moet  direct een eerste stap in de behandeling worden gezet (psycho-educatie). Patiënten met PNEA zijn een heterogene groep. Er is een groot aantal oorzakelijke, uitlokkende en predisponerende factoren die per patiënt kunnen verschillen.

Om te komen tot een internationaal meer eenduidige diagnosestelling van niet-epileptische aanvallen heeft een commissie van de ILAE  regels opgesteld met minimale vereisten (LaFrance, 2013). Deze eisen zijn naar mening van de richtlijnenwerkgroep alleen geschikt om te gebruiken in het kader van wetenschappelijk onderzoek, ook omdat er in de praktijk nog veel haken en ogen aan zijn.

De incidentie van PNEA wordt geschat op tenminste 1,4 per 100.000 personen per jaar. Dit is gebaseerd op één IJslandse studie (Sigurdardottir & Olafsson, 1998). Dit is ongeveer 5% van de incidentie van epilepsie. De (geschatte) prevalentie bedraagt 2 tot 33 patiënten per 100.000 (Benbadis & Allen Hauser, 2000). PNEA kan zowel bij volwassenen als bij kinderen voorkomen. Er is een piekincidentie tussen het 15e en 35e levensjaar (Bodde et al., 2007). PNEA komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen met een globale schatting van een verhouding van 4:1 (Sigurdardottir & Olafsson, 1998). De incidentie van PNEA is hoger bij patiënten met epilepsie.

Wanneer een patiënt zowel PNEA als epileptische aanvallen heeft, geeft dit meer diagnostische en therapeutische problemen. Bovendien maakt het de behandeling vaak lastiger. Logischerwijs moeten de verschillende aanvallen goed uit elkaar gehouden en aangeduid worden.

De prognose van PNEA is onduidelijk. Een aanzienlijke groep blijft aanvallen houden of laat symptoomverschuiving zien naar een andere conversie- en/of somatoforme stoornis. Er zijn vooralsnog geen duidelijke (vooraf te bepalen) karakteristieken van de groep die verschijnselen in enige vorm blijft houden.

Aanbevelingen

Geef patiënten met aanvallen bij wie somatische verklaringen ontbreken en psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA) worden vermoed, goede uitleg over wat PNEA is. Leg uit dat er geen sprake is van epilepsie of een andere somatische aandoening, maar dat er mogelijk sprake is van PNEA. Geef aan dat het vaak verstandig is dat verdere diagnostiek hiernaar plaatsvindt en dat vaak ook behandeling mogelijk is. Bespreek de voor- en eventuele nadelen met de patiënt.

Zorg ervoor dat degenen die bij de patiënt verdere psychodiagnostiek uitvoeren goed geïnformeerd zijn over het vermoeden op PNEA.

Benader patiënten bij wie PNEA wordt vermoed of is vastgesteld multidisciplinair (o.a. specialist, klinisch psycholoog, systeemtherapeut), zeker wanneer er bij deze patiënten ook sprake is van epilepsie.