Vastgesteld: 15 november 2013

Inleiding

In Nederland worden er jaarlijks ongeveer 42.500 patiënten met een beroerte in het ziekenhuis  opgenomen (Hartstichting, 2010). Een deel van deze patiënten met een beroerte krijgt te maken met één of meerdere epileptische aanvallen. Onder een beroerte wordt in deze richtlijn verstaan: patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding. Patiënten met een subarachnoïdale bloeding zullen vaak als aparte groep benoemd worden. Patiënten met een subduraal of epiduraal hematoom of een veneuze aandoening (sinus trombose, arterioveneuze malformatie) vallen buiten de scope van deze module.

Als epileptische aanvallen binnen één week na de beroerte optreden worden ze geclassificeerd als een acuut symptomatische aanval. Treedt de aanval na meer dan een week op, dan wordt deze geclassificeerd als een laat symptomatische aanval (zie > Epidemiologie, Definities) (ILAE 1993).  

Bij patiënten met een beroerte ligt de kans op een symptomatische aanval tussen de 1% en 25% (Ferro & Pinto, 2004). Epilepsie, (in deze studie gedefinieerd als twee of meer ongeprovoceerde aanvallen) na een beroerte doet zich echter slechts voor bij 2,5% van de patiënten met een beroerte (Bladin et al., 2000).  De kans op het optreden van een aanval is van veel factoren afhankelijk. Corticale lokalisatie, infarctgrootte en ernst van de neurologische uitval beïnvloeden deze kans. Van andere factoren (zoals geslacht, leeftijd, enzovoorts) is de invloed minder eenduidig.

Er bestaat een relatie tussen het optreden van een epileptische aanval bij patiënten met een beroerte  en mortaliteit. Deze relatie wordt echter minder duidelijk als er wordt gecorrigeerd voor ernst van de beroerte .

De uitgangsvragen die in deze module beantwoord worden zijn: