Vastgesteld: 28 juni 2016

Uitgangsvraag

Bij welke patiënten met epilepsie is beeldvormend onderzoek in de vorm van CT- en/of MRI-cerebrum noodzakelijk?


Inleiding


Lees meer

Beeldvormend onderzoek kan meer duidelijkheid geven over een onderliggende structurele oorzaak voor epileptische aanvallen. Dit kan bijdragen aan de aetiologische diagnose en daarmee voor een deel de prognose en behandelingsstrategie bepalen. In deze module zal alleen aanvullend beeldvormend onderzoek van de hersenen door middel van CT en MRI besproken worden aangezien deze methoden worden toegepast in de algemene praktijk. Het gebruik van fMRI-, SPECT- en PET-scans zal buiten beschouwing worden gelaten omdat de toepassing hiervan vooralsnog in gespecialiseerde centra plaatsvindt.

Een CT-cerebrum heeft als voordeel dat deze snel en laagdrempelig kan worden verricht. In de acute fase kan een CT worden verricht om grote structurele afwijkingen aan te tonen. De verschillende typen hersenweefsel zijn echter minder duidelijk van elkaar te onderscheiden dan bij MRI-cerebrum. Aandoeningen zoals een intracerebrale bloeding, grotere hersentumoren of posttraumatische afwijkingen zijn echter goed zichtbaar. Ook had CT-cerebrum een voordeel boven MRI-cerebrum bij het in beeld brengen van (intracerebrale) calcificaties, zoals deze kunnen voorkomen bij het syndroom van Sturge Weber, tubereuze sclerose en coeliakie. Tegenwoordig zijn er ook MRI-technieken om dit goed in beeld te brengen.

Een MRI-cerebrum toont structurele afwijkingen, waarbij ook subtielere verschillen zichtbaar zijn, zoals een corticale dysplasie of kleine hersentumoren.

In het geval van frequent achter elkaar voorkomende of langdurige epileptische aanvallen kan cytotoxisch oedeem en daarop volgend vasogeen oedeem ontstaan, terwijl dit bij kortdurende aanvallen niet het geval zal zijn. Dit oedeem is met MRI zichtbaar indien snel (< 2 dagen) na de aanvallen wordt gescand. Vooral op T2-gewogen opnames, diffusiegewogen opnames en T1-opnames na contrasttoediening zal dit zichtbaar zijn (o.a. Diehl et al., 1999; Diehl et al., 2001; Fujikawa et al., 1991; Grunewald et al., 1994; Horowitz et al., 1992; Kim et al., 2001; Kramer et al., 1987; Lee et al., 1992; Scott et al., 2002).

Bij de keuze van de MRI-techniek/sequenties dient men rekening te houden met de aard van de afwijking die men wil aantonen. Een 3T-MRI heeft een hogere kans om relevante afwijkingen op te sporen dan een 1,5T-MRI. Voor hogere veldsterktes is dit nog in onderzoek.

Aanbevelingen

Overweeg beeldvormend onderzoek bij iedereen met epilepsie, met uitzondering van:

  • Patiënten met specifieke epilepsiesyndromen waarbij de kans op het vinden van een oorzakelijke laesie zeer klein wordt geacht.
  • Patiënten bij wie de epilepsie lang bestaat en goed onder controle is.

Houd er rekening mee dat klinische gegevens, gebruikte technieken en expertise van de beoordelaars van invloed zijn op het vinden van een (verklarende) afwijking.

MRI-cerebrum (volgens epilepsieprotocol) heeft sterk de voorkeur boven CT-cerebrum (als er geen contra-indicaties voor MRI bestaan). In het geval van acute situaties kan een CT meestal volstaan.