Vastgesteld: 08 juni 2017

Uitgangsvraag

Bij welke patiënten met epilepsie is neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd?


Inleiding


Lees meer

Epilepsie kan gepaard gaan met het optreden van cognitieve- en/of stemmingsstoornissen. In de praktijk moet daar aandacht voor zijn. Bij de vraag of doorverwijzing voor neuropsychologisch onderzoek nodig is, is de klacht van de patiënt en een inschatting door de neuroloog van mogelijke gevolgen van belang. Soms zal de neuroloog zelf met behulp van generieke screeningstesten de problemen bevestigen en de ernst hiervan vaststellen.

Voor neuropsychologisch onderzoek bij patiënten met epilepsie zijn een afzonderlijke expertise en infrastructuur vereist. Zo is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de gedragsmatige bijwerkingen van de medicatie, het effect van de epileptische aanvallen (ook als deze subtiel of subklinisch zijn) en het effect van het onderliggend lijden of van comorbide stoornissen. Bij het frequent optreden van epileptiforme ontladingen kan neuropsychologisch onderzoek worden gecombineerd met EEG-diagnostiek met videomonitoring. Daarnaast wordt soms functionele MRI ingezet in combinatie met neuropsychologisch onderzoek. Dit is echter thans alleen beschikbaar in enkele academische centra. De patiënt wordt dan neuropsychologisch onderzocht (op geheugen, taal, enzovoorts) in de MRI-scanner.

Aanbevelingen

Wees bij een patiënt met de diagnose epilepsie alert op de cognitieve ontwikkeling en de stemming.

Overweeg neuropsychologische screening als de klachten van een patiënt met epilepsie daartoe aanleiding geven of als er sprake is van een veranderend functioneren in het dagelijks leven. Zet eventueel screeningsinstrumenten in.

Overweeg doorverwijzing voor neuropsychologisch onderzoek bij patiënten met epilepsie in de volgende gevallen:

  • Bij het optreden van aanhoudende cognitieve klachten, zeker indien cognitieve verslechtering wordt gerapporteerd of vermoed.
  • Bij het optreden van psychosociale reacties op de epilepsie. Bijzondere aandacht moet er zijn voor psychosociale reacties bij een epilepsiedebuut in de puberteit.
  • Bij kinderen met leer- en/of gedragsproblemen.
  • Bij verdenking op stemmingsstoornissen, gedragsstoornissen en/of andere cognitieve stoornissen met als vermoedelijke oorzaak medicatie, zeker wanneer de klachten aan bepaalde wijzigingen in behandelregime kunnen worden gekoppeld.
  • Indien sprake is van anti-epileptica waarmee weinig ervaring is of bij antiepileptica met een hoog risico op cognitieve bijwerkingen (met name fenobarbital, fenytoïne en topiramaat) of op stemmingsstoornissen (levetiracetam).
  • Bij niet-medicamenteuze behandelingen waarmee weinig ervaring is (epilepsiechirurgie, neurostimulatie, ketogeen dieet).
  • Bij epilepsiesyndromen die mede gekenmerkt worden door specifieke cognitieve stoornissen (zoals localisatiegebonden frontaalkwabepilepsie) of door cognitieve achteruitgang (Landau Kleffner syndroom of Lennox Gastaut syndroom).

Overweeg neuropsychologisch onderzoek in combinatie met video-EEG-registratie bij patiënten met epilepsie in de volgende gevallen:

  • Bij het optreden van gedrags- of cognitieve veranderingen met als mogelijke oorzaak frequente epileptiforme ontladingen in het EEG.
  • Bij het optreden van gedrags- of cognitieve veranderingen met als mogelijke oorzaak frequente moeilijk te detecteren ‘subtiele’ aanvallen.
  • Bij vragen naar rijgeschiktheid indien de patiënt aanvalsvrij is, maar het EEG nog frequente epileptiforme activiteit laat zien.

Overweeg follow-up met neuropsychologisch onderzoek bij patiënten met epilepsie in de volgende gevallen:

  • Bij patiënten die gebruik maken van anti-epileptica waarmee weinig ervaring is.
  • Bij patiënten met chronische epilepsie en cognitieve klachten.