Overwegingen

Om psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA) te behandelen wordt in het algemeen aanbevolen dat er een goede uitleg plaatsvindt waarom er geen sprake is van een somatische aandoening, zoals epilepsie. Ook moet worden besproken wat er wel aan de hand is (psycho-educatie) (Hall-Patch et al., 2010). Daarbij moeten de volgende zaken in ieder geval besproken worden: geef het ziektebeeld een naam en vermeld synoniemen, het is een erkend en vaker voorkomend ziektebeeld en geen “gekte”, de aanvallen zijn echt (geen simulatie), anti-epileptica helpen niet, emoties zijn mogelijk een invloed hebbende factor, er zijn mogelijk uitlokkende, predisponerende en onderhoudende factoren bij betrokken, behandeling van (onderliggende) psychosociale factoren kan effectief zijn en verschijnselen kunnen verbeteren of verdwijnen. Vervolgens moet ook besproken worden dat verder onderzoek naar onderliggende oorzaken raadzaam is en moeten de geïdentificeerde onderliggende factoren met de patiënt besproken en, indien mogelijk en gewenst, behandeld worden.

Bij PNEA moet gezocht worden naar de onderliggende factoren. Indien mogelijk, moeten deze behandeld worden. Hiervoor moet de patiënt in het algemeen doorverwezen worden naar een klinisch psycholoog of psychiater (afhankelijk van de onderliggende psychogene problematiek). De werkgroep is van mening dat er onvoldoende wetenschappelijke ondersteuning is om te kiezen voor een bepaalde (psychologische) behandelstrategie van PNEA.

Een recente meta-analyse van 'psychologische interventies' waarbij geen nieuwe studies naast de al door ons besproken studies zijn meegenomen, geeft eveneens aan dat deze interventies effect lijken te hebben (aanvalsreductie bij ong. 80% van de patiënten en aanvalsvrijheid bij ong. 47% van de patiënten na een korte termijn evaluatie) (Carlson & Nicholson Perry, 2017). De studies zijn echter lang niet altijd op de Nederlandse situatie toepasbaar. 

In een studie (Myers et al., 2017) werd bij 16 patiënten met bewezen PNEA en PTSS volgens DSM-V criteria middels 24 uurs video EEG het effect van prolonged exposure psychotherapie geëvalueerd. 13 van de 16 personen (81,3%) hadden na 12-15 weken behandeling geen PNEA-aanvallen meer, de andere drie een significante verbetering van de aanvalsfrequentie. Ook de depressiescore (Beck Depression Index II) en de schaal voor PTSS-symptomen (post traumatic stress disorder diagnostic scale) namen statisch significant af. Een longitudinale controle na een zeer variabele tijd (1-34 maanden) toonde dat de verbetering op dat moment nog steeds aanwezig was. Bij dit onderzoek was er geen controlegroep en de groep was klein zodat de resultaten weinig bewijskracht hebben en niet meegenomen zijn voor de aanbevelingen.

Het lijkt wel zo te zijn dat psychologen vaak vooraf al redelijk kunnen voorspellen of een behandeling succesvol zal zijn bij een specifieke patiënt, zonder dat dit tot specifiek omschreven handvatten heeft geleid.

Er zal extra aandacht besteed moeten worden aan het opstarten en continueren van behandeling van onderliggende problematiek, omdat het in deze patiëntengroep moeilijk blijkt de patiënten de behandeling te laten continueren (Tolchin et al., 2018).

Om tot een goede afweging te komen is vaak specialistische multidisciplinaire afstemming noodzakelijk; zeker als er ook sprake is van epilepsie. Wanneer er bij een patiënt zowel PNEA als epileptische aanvallen voorkomen, moeten de verschillende aanvallen goed uit elkaar gehouden en aangeduid worden. Behandeling van deze patiënten is hierdoor vaak nog lastiger. Bij het vervolg heeft de huisarts ook een belangrijke rol, vooral omdat er symptoomsubstitutie op kan treden.

Voor conversie en/of somatoforme stoornissen bestaat er sinds kort een landelijk netwerk onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (NOLK). Voor PNEA problematiek zijn met name SEIN en Kempenhaeghe hierin vertegenwoordigd, terwijl voor de onderliggende problematiek andere instellingen de expertise hebben. Informatie is te vinden op de websites NOLK.info, www.SEIN.nl of www.kempenhaeghe.nl.