Overwegingen

De werkgroep is van mening dat in de keuze van medicatie voor de behandeling van absences bij patiënten met een juveniele myoclonus epilepsie zowel aanvalsvrijheid als het optreden van bijwerkingen in de afweging moeten worden meegenomen. Daarbij moet naar aanvalsvrijheid worden gestreefd ten aanzien van gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen. Bij de kleine groep van patiënten die alleen myoclonieën hebben en geen gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen is dit minder duidelijk. Bij de keuze van anti-epileptica moet ook de wens van een vrouw om (op korte termijn) zwanger te worden in de afweging worden meegenomen.

In overzichtsartikelen over de behandeling van juveniele myoclonus epilepsie hebben de auteurs vaak een voorkeur voor het gebruik van valproaat, tenzij er reden is om dit niet gebruiken. Ook in de NICE-richtlijn 2012  (NICE-richtlijn, 2012) wordt de voorkeur aan valproaat gegeven. Hier is echter geen goed bewijs voor. Ook voor alternatieve anti-epileptica, als het gebruik van valproaat ongewenst is of niet getolereerd wordt, is er geen onderbouwing vanuit studies. In de NICE-criteria wordt aanbevolen om dan voor lamotrigine, levetiracetam of topiramaat te kiezen (NICE-richtlijn, 2012).

Uit observaties blijk dat het gebruik van carbamazepine of oxcarbazepine tot een toename van aanvallen en zelfs tot een status epilepticus kan leiden (Thomas et al., 2006). Fenytoïne, gabapentine, pregabaline, tiagabine en vigabatrine zijn gecontra-indiceerd bij juveniele myoclonus epilepsie (Mantoan & Walker, 2011; Raspall-Chaure et al., 2008; Thomas et al., 2006)