Zoekstrategie


Lees meer

Voor deze uitgangsvraag is gebruik gemaakt van de NICE-richtlijn (NICE-richtlijn, 2012). Daarnaast is er gezocht naar literatuur over het effect van anti-epileptica bij volwassenen en kinderen vanaf de analysedatum van NICE 01/06/2010 in de databases Medline, Embase en the Cochrane Library. Er is algemeen gezocht op effectiviteit van anti-epileptica. Uiteindelijk werden er twee systematische review en tweerandomized controlled trial (RCT) geïncludeerd voor deze uitgangsvraag op basis van de volgende criteria:

  • Onderzoek is van voldoende kwaliteit (systematische reviews, gerandomiseerde of quasi-gerandomiseerde trials waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen verschillende anti-epileptica of een anti-epilepticum en placebo).
  • Onderzoek hanteert als uitkomstmaat aanvalsvrijheid, 50%-afname van de aanvalsfrequentie of bijwerkingen.
  • Onderzoek geeft antwoord op de vraag welke medicatie effectief is bij gegeneraliseerde epileptische aanvallen.

Samenvatting van de literatuur


Lees meer

NICE-aanbevelingen (NICE-richtlijn, 2012)

Gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen

  • Bij de behandeling van gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen is valproaat het middel van eerste keuze. Houd rekening met het verhoogde risico op teratogeniciteit.
  • Overweeg lamotrigine wanneer valproaat niet geschikt is. Neem in aanmerking dat lamotrigine myoclonieën kan verergeren. 
  • Overweeg carbamazepine en oxcarbazepine wanneer natriumvalproaat of lamotrigine niet geschikt zijn. Neem in aanmerking dat beide middelen absences en myoclonieën kunnen verergeren.
  • Overweeg clobazam, lamotrigine, levetiracetam, natriumvalproaat of topiramaat als aanvullende behandeling na falen eerste keus anti-epilepticum.
  • Wanneer er absences of myoclonieën zijn, geef dan geen carbamazepine, gabapentine, oxcarbazepine, fenytoïne, pregabaline, tiagabine of vigabatrine. 

Myoclonieën

  • Bij de behandeling van myoclonieën is valproaat het eerste keus middel. Neem wel het verhoogde risico op teratogeniciteit in aanmerking.
  • Overweeg levetiracetam of topiramaat als aanvullende therapie wanneer valproaat niet geschikt is of niet wordt verdragen. Neem het ongunstige bijwerkingenprofiel van topiramaat in overweging. 
  • Wanneer combinatietherapie faalt vanwege onvoldoende aanvalsreductie of het optreden van bijwerkingen bespreek met de patiënt de derde lijn of verwijs daarnaar toe. Overweeg clobazam, clonazepam, piracetam of zonisamide.
  • Geef geen carbamazepine, oxcarbazepine, fenytoïne, pregabaline, tiagabine of vigabatrine.

Samenvatting literatuur vanaf juni 2010

In een systematische review (Colleran et al., 2017) zijn 9 RCTs met totaal 921 patiënten geïncludeerd. De RCTs vergeleken lamotrigine (n=3), topiramaat (n=2), levetiracetam (n=2), perampanel (n=1), gabapentine (n=1) als toevoeging aan de conventionele behandeling met anti-epileptica. De RCT die gabapentine met placebo vergelijkt, rapporteerde geen van de gedefinieerde uitkomstmaten aanvalsvrijheid, aanvalsreductie of bijwerkingen. Patiënten, zowel kinderen als volwassenen, waren gediagnosticeerd met idiopathische gegeneraliseerde epilepsie. De follow-up periode varieerde van 8 tot 20 weken. De negen geïncludeerde RCTs in het review van Colleran kennen een aantal methodologische beperkingen. Geen van de geïncludeerde trials beschreven de blindering van randomisatie en er was onduidelijke blindering van patiënten en personeel in 6 van de studies.

In een Cochrane review (Tjia –Leong et al., 2010), zijn twee gerandomiseerde, placebogecontroleerde trials opgenomen. Eén van deze RCTs is ook geïncludeerd in de review van Colleran (Colleran et al., 2017). De andere RCT met 26 patiënten in het Cochrane review werd geëxcludeerd door Colleran, omdat de RCT patiënten met symptomatische gegeneraliseerde epilepsie includeerde. De patiënten, zowel kinderen als volwassenen, hadden therapieresistente primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen. De behandelgroep, waarin patiënten lamotrigine kregen als toevoeging op conventionele behandeling met anti-epileptica, werd vergeleken met een placebogroep.  

Een gevonden RCT vergelijkt het effect van levetiracetam (als monotherapie) met het effect van conventionele behandeling met anti-epileptica, bestaande uit valproaat of carbamazepine (Trinka et al., 2013). De patiënten zijn 16 jaar of ouder en gebruikten in de zes maanden voorafgaand aan de studie (nog) geen anti-epilepticum. De patiënten worden gedurende een jaar gevolgd. In een andere RCT zijn valproaat en lamotrigine als monotherapie bij nieuw-gediagnosticeerde idiopathische gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen met elkaar vergeleken. Bij 60 patiënten werd gekeken naar de effectiviteit en bijwerkingen (Giri et al., 2016).  

Aanvalsvrijheid: De systematische review van Colleran (Colleran et al., 2017) includeerde 7 studies die aanvalsvrijheid rapporteerden. Drie studies met totaal 305 patiënten vergeleken lamotrigine met placebo. Alle studies hadden een follow-up van 12 weken. Patiënten die behandeld werden met lamotrigine waren vaker aanvalsvrij dan patiënten die placebo kregen (36% versus 15%) (RR 2,27, 95% BI: 1,18 tot 4,37).

Figuur 1a. Aanvalsvrijheid lamotrigine versus placebo

Z: p-waarde van gepoolde effect; df: degrees of freedom (vrijheidsgraden); I2: statistische heterogeniteit; CI: betrouwbaarheidsinterval.

 

Twee studies met totaal 284 patiënten vergeleken levetiracetam met placebo. De studies hadden een follow-up van 12 of 20 weken. Patiënten die behandeld werden met levetiracetam waren vaker aanvalsvrij dan patiënten die placebo kregen (30% versus 8%) (RR 3,54, 95% BI: 1,95 tot 6,42).

Figuur 1b. Aanvalsvrijheid levetiracetam versus placebo

Z: p-waarde van gepoolde effect; df: degrees of freedom (vrijheidsgraden); I2: statistische heterogeniteit; CI: betrouwbaarheidsinterval.

Eén studie met 79 patiënten vergeleek topiramaat met placebo. Het verschil in aanvalsvrijheid was niet significant tussen patienten die behandeld werden met topiramaat vs. placebo  (13% versus 5%) na 12 weken (RR 2,56, 95% BI: 0,53 tot 12,44).

Eén studie met 162 patiënten vergeleek perampanel met placebo en vond een aanvalsvrijheid van 31% vergeleken met 12% in de placebogroep na 13 weken (RR 2,27, 95% BI: 1,20 tot 4,30).

De RCT van Trinka et al. (2013) kijkt naar het effect van levetiracetam vergeleken met valproaat of carbamazepine op de aanvalsvrijheid één jaar na start van de behandeling. De patiëntengroep die carbamazepine toegediend krijgt, bestaat voornamelijk uit patiënten met focale aanvallen. De resultaten voor de patiënten met gegeneraliseerde aanvallen worden niet apart weergegeven. Er kan dus geen uitspraak worden gedaan over het effect van levetiracetam vergeleken met dat van carbamazepine op de aanvalsvrijheid. Vergeleken met valproaat zijn er bij behandeling met levetiracetam minder patiënten aanvalsvrij een jaar na start van de behandeling (68.3 versus 61.1%). Dit verschil is echter niet significant (95% CI voor valproaat 61.5 – 74.1%; 95% voor levetiracetam 53.9 – 67.5%).

In de studie van Giri werd aangetoond dat na een jaar behandelen met valproaat 23 van de 30 patiënten (76,67%) aanvalsvrij zijn. Bij lamotrigine bleken na een jaar 17 van de 30 patiënten (56,67%) aanvalsvrij (Giri et al., 2016). Dit is een significant verschil  (p<0.03).

Afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer

In de systematische review van Colleran (Colleran et al., 2017) rapporteerden 6 studies een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer. Twee studies vergeleken lamotrigine met in totaal 260 patiënten en een follow-up van 12 weken. Behandeling met lamotrigine leidde tot een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer bij 92 (72%) patiënten versus 52 (39%) in de placebogroep (RR 1,80, 95% BI: 1,18 tot 2,77).

Figuur 2a. Aanvalsvrijheid lamotrigine versus placebo

Z: p-waarde van gepoolde effect; df: degrees of freedom (vrijheidsgraden); I2: statistische heterogeniteit; CI: betrouwbaarheidsinterval.

Twee studies vergeleken levetiracetam met placebo bij totaal 284 patiënten. De studies hadden een follow-up van 12 of 20 weken. Behandeling met levetiracetam leidde tot een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer bij 93 (66%) patiënten versus 52 (36%) in de placebogroep (RR 1,90, 95% BI: 1,23 tot 2,94).

Figuur 2b. Aanvalsvrijheid levetiracetam versus placebo

Z: p-waarde van gepoolde effect; df: degrees of freedom (vrijheidsgraden); I2: statistische heterogeniteit; CI: betrouwbaarheidsinterval.

Eén studie met 79 patiënten vergeleek topiramaat met placebo. Behandeling met topiramaat leidde tot een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer bij 22 (56%) patiënten versus 8 (20%) in de placebogroep na 12 weken (RR 2,82, 95% BI: 1,43 tot 5,56).

Eén studie met 162 patiënten vergeleek perampanel met placebo en vond een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer bij 52 (64%) in de perampanelgroep versus 32 (40%) in de placebogroep na 13 weken (RR 1,63, 95% BI: 1,51 tot 4,15).

De RCT uit de Cochrane review van Tjia-Leong et al. (2010), die niet geïncludeerd was door Colleran, 2016 bekeek het effect van lamotrigine versus placebo op een afname in aanvalsfrequentie van 50% of meer. De studie laat een significante reductie in aanvalsfrequentie zien met lamotrigine in vergelijking met placebo. 7 van de 14 patiënten met tonisch-clonische aanvallen en behandeld met lamotrigine vertoonden een aanvalsreductie van 50% of meer (p=0.03). Het effect bij de placebogroep wordt in deze studie niet vermeld.

Giri et al. beschrijft een significant verschil (p<0.001) tussen valproaat en lamotrigine in de afname van de aanvalsfrequentie van respectievelijk 5,17 maal per maand tot 1,70 maal per maand, en 4,93 maal per maand tot 2,43 per maand na een jaar behandelen (Giri et al., 2016).

Bijwerkingen

In de systematische review van Colleran (Colleran et al., 2017) rapporteerden 6 studies bijwerkingen. Drie studies vergeleken lamotrigine met placebo. Eén studie rapporteerde bijwerkingen bij 13 patiënten (22%) in de lamotrigine groep versus 6 (10%) in de placebogroep (RR 2,20, (95% BI 0,90 tot 5,40). De meest voorkomende bijwerkingen waren duizeligheid, slaperigheid en misselijkheid. Een andere studie rapporteerde voortijdig stoppen met de studie vanwege bijwerkingen bij 3 patiënten (5%) in de lamotrigine groep versus 1 (2%) in de placebogroep.

Twee studies vergeleken levetiracetam met placebo bij totaal 284 patiënten. Eén studie rapporteerde dat 1 (1%) patiënt in de levetiracetamgroep versus 4 (5%) patiënten in de placebogroep voortijdig moest stoppen met de studie vanwege bijwerkingen. Gerapporteerde bijwerkingen waren verkoudheid (14%), hoofdpijn (10%), vermoeidheid (10%), duizeligheid (8%), diarree (8%) en slaperigheid (6%). Daarnaast hadden 3 (3%) patiënten in de levetiracetam en 8 (10%) patiënten in de placebogroep ernstige bijwerkingen. De andere studie rapporteerde de bijwerkingen hoofdpijn bij 13 (22%) patiënten, depressie bij 3 (5%) patiënten en nervositeit bij 2 (3%) patiënten.

Eén studie met 79 patiënten vergeleek topiramaat met placebo. Seizoensgebonden ziekten, waaronder bovenste luchtweginfectie bij 16 (41%) patiënten, bijwerkingen aan het centrale zenuwstelsel waaronder slaperigheid bij 10 patiënten (26%), vermoeidheid bij 7 patiënten (18%), geheugenverlies bij 5 patiënten (13%) en hoofdpijn bij 5 (13%) patiënten. Sommige bijwerkingen aan het centrale zenuwstelsel werden vaker genoemd in de topiramaatgroep, waaronder slaperigheid, anorexia, geheugenverlies, nervositeit, psychomotorische vertraging en spraak gerelateerde problemen. In de placebogroep werden hoofdpijn, duizeligheid, slapeloosheid en persoonlijkheidsstoornissen vaker gerapporteerd.

Eén studie met 162 patiënten vergeleek perampanel met placebo. Er waren 67 (83%) patiënten met bijwerkingen in de perampanelgroep versus 59 (72%) patiënten in de placebogroep. Bijwerkingen bestonden voornamelijk uit duizeligheid, vermoeidheid, hoofdpijn, slaperigheid en prikkelbaarheid.

De RCT uit de Cochrane review van Tjia-Leong et al. (2010) bekeek de bijwerkingen van lamotrigine. De meest voorkomende bijwerkingen die genoemd worden, zijn ataxie (12%), duizeligheid (8%) en slaperigheid 88%) in de behandelgroep. Er werden geen bijwerkingen gerapporteerd in de placebogroep.

In de RCT waarin valproaat met lamotrigine werd vergeleken, gaven 9 van de 30 patiënten die valproaatgebruikten bijwerkingen aan zoals gastro-intestinale symptomen, sedatie, ataxie en tremor. Bij 3 van de 30 patiënten die lamotrigine gebruikten trad huiduitslag op waardoor zij de behandeling staakten. Tevens kwamen bij 17 patiënten bijwerkingen voor (Giri et al., 2016).

Bewijskracht

Lamotrigine, topiramaat, levetiracetam of perampanel versus placebo

De bewijskracht is gebaseerd op RCTs en start derhalve hoog. De bewijskracht voor de uitkomstmaten aanvalsvrijheid, afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer en bijwerkingen is met één niveau verlaagd vanwege onduidelijke blindering van randomisatie en onduidelijke blindering in de meerderheid van de studies. Daarnaast wordt er één niveau verlaagd vanwege de imprecisie van de resultaten door het gering aantal patiënten. Voor bijwerkingen wordt er een extra niveau verlaagd, omdat de bijwerkingen vaak alleen voor de interventiegroep of werden vermeld. Het niveau van bewijskracht wordt gegradeerd als ‘laag’ voor aanvalsvrijheid en afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer en ‘zeer laag’ voor bijwerkingen.

Valproaat versus levetiracetam

In de RCT van Trinka (Trinka et al., 2013) lijkt het effect op de aanvalsvrijheid iets in het voordeel van valproaat te zijn ten opzichte van levetiracetam. Dit effect is echter niet significant en deze conclusie moet derhalve voorzichtig worden geïnterpreteerd. Daarnaast kent deze studie beperkingen, waaronder het gebrek aan blindering van zowel de patiënten als de onderzoekers of artsen. De conclusie heeft daarom een zeer lage bewijskracht. 

De bewijskracht van Giri (Giri et al., 2016) wordt gezien als laag. Er wordt een significant verschil gevonden maar de studiepopulatie is niet erg groot. Tevens zijn zowel de patiënten als de onderzoekers en artsen niet geblindeerd voor de gegeven medicatie.

 

In de Cochrane review die met de systematische literatuursearch gevonden werd (Tjia –Leong et al., 2010), zijn twee gerandomiseerde, placebogecontroleerde trials opgenomen. De patiënten, zowel kinderen als volwassenen, hadden therapieresistente tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin. De behandelgroep, waarin patiënten lamotrigine kregen als toevoeging op conventionele behandeling met anti-epileptica, werden vergeleken met een placebogroep. Vanwege de verschillen in onderzoeksopzet is er geen meta-analyse gedaan.

De gevonden RCT vergelijkt het effect van levetiracetam (als monotherapie) met het effect van conventionele behandeling met anti-epileptica, bestaande uit valproaat of carbamazepine (Trinka et al., 2013). De patiënten zijn 16 jaar of ouder en gebruikten in de zes maanden voorafgaand aan de studie (nog) geen anti-epilepticum. De patiënten worden gedurende een jaar gevolgd.

In 2015 verscheen een RCT die de toegevoegde waarde van perampanel vergelijkt met placebo terwijl conventionele medicatie gebruikt werd. De patiënten zijn 12 jaar of ouder en waren gediagnosticeerd met tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin en genetisch gegeneraliseerde epilepsie en gebruikten al medicatie (French et al., 2015).

In een RCT zijn valproaat en lamotrigine als monotherapie bij nieuw-gediagnosticeerde tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin met elkaar vergeleken. Bij 60 patiënten werd gekeken naar de effectiviteit en bijwerkingen (Giri et al., 2016). 

Aanvalsvrijheid

De RCT van Trinka et al. (2013) kijkt naar het effect van levetiracetam vergeleken met valproaat of carbamazepine op de aanvalsvrijheid één jaar na start van de behandeling. De patiëntengroep die carbamazepine toegediend krijgt, bestaat voornamelijk uit patiënten met focale aanvallen. De resultaten voor de patiënten met gegeneraliseerde aanvallen worden niet apart weergegeven. Er kan dus geen uitspraak worden gedaan over het effect van levetiracetam vergeleken met dat van carbamazepine op de aanvalsvrijheid. Vergeleken met valproaat zijn er bij behandeling met levetiracetam minder patiënten aanvalsvrij een jaar na start van de behandeling (68.3 versus 61.1%). Dit verschil is echter niet significant (95% CI voor valproaat 61.5 – 74.1%; 95% voor levetiracetam 53.9 – 67.5%).

De RCT van French liet zien dat adjunctief perampanel leidde tot aanvalsvrijheid van 31% vergeleken met 12% in de placebogroep na 13 weken (French et al., 2015).

In de studie van Giri werd aangetoond dat na een jaar behandelen met valproaat 23 van de 30 patiënten (76,67%) aanvalsvrij zijn. Bij lamotrigine bleken na een jaar 17 van de 30 patiënten (56,67%) aanvalsvrij (Giri et al., 2016). Dit is een significant verschil (p<0.03).

Afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer

Beide randomized controlled trials (RCTs) uit de Cochrane review van Tjia-Leong et al. (2010) bekeken het effect van lamotrigine versus placebo op een afname in aanvalsfrequentie van 50% of meer. De resultaten in beide studies laten een significante reductie in aanvalsfrequentie zien met lamotrigine in vergelijking met placebo. In de ene RCT vertoonden 7 van de 14 patiënten met tonisch-clonische aanvallen en behandeld met lamotrigine een aanvalsreductie van 50% of meer (p=0.03). Het effect bij de placebogroep wordt in deze studie niet vermeld. In de andere RCT was het aantal patiënten met een aanvalsreductie van 50% of meer in de behandelgroep 37 van de 58 patiënten en in de controlegroep 23 van de 59 patiënten (p<0.05).

De RCT van French liet zien dat adjunctief perampanel leidde tot een afname van de aanvalsfrequentie van 50% of meer bij 64% van de patiënten in de perampanelgroep versus 39,5% in de placbogroep en dit verschil was significant, p=0,0019 (French et al., 2015).

Giri et al. beschrijven een significant verschil (p<0.001) tussen valproaat en lamotrigine in de afname van de aanvalsfrequentie van respectievelijk 5,17 maal per maand tot 1,70 maal per maand, en 4,93 maal per maand tot 2,43 per maand na een jaar behandelen (Giri et al., 2016).

Bijwerkingen

Beide RCTs uit de Cochrane review van Tjia-Leong et al. (2010) bekeken de bijwerkingen van lamotrigine. De meest voorkomende bijwerkingen die genoemd worden, zijn duizeligheid, slaperigheid en misselijkheid. Deze bijwerkingen werden vaker genoemd in de behandelgroep in vergelijking met de placebogroep.

De RCT van French bestudeerde ook bijwerkingen van perampanel. Dit was 83% in de perampanelgroep versus 72% in de placebogroep. Bijwerkingen bestonden voornamelijk uit duizeligheid, vermoeidheid, hoofdpijn, slaperigheid en prikkelbaarheid (French et al., 2015).

In de RCT waarin valproaat met lamotrigine werd vergeleken, gaven 9 van de 30 patiënten die valproaatgebruikten bijwerkingen aan zoals gastro-intestinale symptomen, sedatie, ataxie en tremor. Bij 3 van de 30 patiënten die lamotrigine gebruikten trad huiduitslag op waardoor zij de behandeling staakten. Tevens kwamen bij 17 patiënten bijwerkingen voor (Giri et al., 2016).

Bewijskracht

De twee geïncludeerde RCTs in de Cochrane review van Tjia-Leong et al. (2010) kennen een aantal beperkingen. Vanwege de onduidelijke blindering van randomisatie en onduidelijke blindering van personen, wordt de bewijskracht met twee niveaus verlaagd. Daarnaast wordt er nog een extra niveau verlaagd vanwege de imprecisie van de resultaten door de kleine groepen.

De conclusie met betrekking tot perampanel wordt met een niveau verlaagd, omdat hier slechts één studie over gevonden is met een beperkte grootte van de onderzoekspopulatie.

In de RCT van Trinka et al. (2013) lijkt het effect op de aanvalsvrijheid iets in het voordeel van valproaat te zijn ten opzichte van levetiracetam. Dit effect is echter niet significant en de conclusie is daarom erg onzeker. Daarnaast kent deze studie beperkingen, waaronder het gebrek aan blindering van zowel de patiënten als de onderzoekers of artsen. De conclusie heeft daarom een zeer lage bewijskracht. 

De bewijskracht van Giri et al. (Giri et al., 2016) wordt gezien als laag. Er wordt een significant verschil gevonden maar de studiepopulatie is niet erg groot. Tevens zijn zowel de patiënten als de onderzoekers en artsen niet geblindeerd voor de gegeven medicatie. 

In de studie van Giri werd aangetoond dat na een jaar behandelen met valproaat 23 van de 30 patiënten (76,67%) aanvalsvrij zijn. Bij lamotrigine bleken na een jaar 17 van de 30 patiënten (56,67%) aanvalsvrij (Giri et al., 2016). Dit is een significant verschil  (p<0.03). 

Conclusies

Aanvalsvrijheid

Laag

De toevoeging van lamotrigine, levetiracetam of perampanel aan de conventionele behandeling met anti-epileptica lijkt een grotere kans te geven op aanvalsvrijheid ten opzichte van toevoeging van een placebo bij patiënten met therapieresistente primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen.

(Colleran et al., 2017; Tjia-Leong et al., 2010)

 

 Zeer laag

Er zijn zeer beperkte aanwijzingen dat valproaat een hogere kans geeft op aanvalsvrijheid vergeleken met levetiracetam bij patiënten met primair gegeneraliseerde epileptische aanvallen.

(Trinka et al., 2013)

 

Laag

Er zijn aanwijzingen dat valproaat als monotherapie bij idiopatische gegeneraliseerde epilepsie een grotere kans geeft op aanvalsvrijheid in vergelijking tot lamotrigine.

(Giri et al., 2016)

 

Aanvalsreductie van 50% of meer

Laag

De toevoeging van lamotrigine, topiramaat, levetiracetam of perampanel aan de conventionele behandeling met anti-epileptica lijkt een grotere kans te geven op aanvalsreductie van 50% of meer ten opzichte van toevoeging van een placebo bij patiënten met therapieresistente primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen.

(Colleran et al., 2017; Tjia-Leong et al., 2010)

 

Bijwerkingen

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat toevoeging van lamotrigine, topiramaat, levetiracetam of perampanel aan de conventionele behandeling met anti-epileptica een grotere kans geeft op bijwerkingen ten opzichte van toevoeging van een placebo bij patiënten met therapieresistente primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen.

(Colleran et al., 2017; Tjia-Leong et al., 2010)

 

Laag

 Bij valproaat lijken minder vaak bijwerkingen voor te komen dan bij lamotrigine als behandeling voor idiopathische gegeneraliseerde epilepsie.

(Giri et al., 2016)

 

----------------

 Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat toevoeging van lamotrigine aan de conventionele behandeling met anti-epileptica een hogere kans geeft op aanvalsreductie van 50% of meer ten opzichte van toevoeging van een placebo bij patiënten met therapieresistente tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin.

(Tjia-Leong et al., 2010)


 Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat lamotrigine een hogere kans op bijwerkingen geeft (met name duizeligheid, slaperigheid en misselijkheid) ten opzichte van een placebo.

(Tjia-Leong et al., 2010)


 Zeer laag

Er zijn zeer beperkte aanwijzingen dat valproaat een hogere kans geeft op aanvalsvrijheid vergeleken met levetiracetam bij patiënten met tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin. 

(Trinka et al., 2013)


 Matig

Het is waarschijnlijk dat toevoeging van perampanel aan de conventionele behandeling met anti-epileptica een hogere kans geeft op aanvalsreductie van 50% of meer ten opzichte van toevoeging van een placebo bij patiënten met tonisch-clonische aanvallen met een gegeneraliseerd begin en genetisch gegeneraliseerde epilepsie.

(French et al., 2015)


Laag

Er zijn aanwijzingen dat valproaat als monotherapie bij genetisch gegeneraliseerde epilepsie een grotere kans geeft op aanvalsvrijheid in vergelijking tot lamotrigine.

(Giri et al., 2016)


 Laag

Bij valproaat lijken minder vaak bijwerkingen voor te komen dan bij lamotrigine als behandeling voor genetisch gegeneraliseerde epilepsie.

(Giri et al., 2016)