Zoekstrategie


Lees meer

Er is breed gezocht naar literatuur over behandelingen voor PNEA in Medline, the Cochrane Library en Psychinfo vanaf 1980. Uiteindelijk werden vijf artikelen geselecteerd op basis van het volgende criterium:

  • Het betreft (quasi-)gerandomiseerd onderzoek of een systematische review van (quasi-)gerandomiseerd onderzoek.

Samenvatting van de literatuur


Lees meer

Het literatuuronderzoek voor deze module leverde onder andere een Cochrane review op (Baker et al., 2007). Uit deze review blijkt dat er veel verschillende behandelstrategieën voor psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA) beschreven zijn, zoals cognitieve gedragstherapie, groepsgewijze psycho-educatie, eye movement desensitization and reprocessing (EMDR), neurofeedback, psychotherapie, hypnose en operante conditionering. De Cochrane review includeerde alleen de artikelen waarin een behandeling voor PNEA is onderzocht op een gerandomiseerde of quasi-gerandomiseerde wijze. Slechts drie studies bleken aan dit criterium te voldoen. Twee van deze studies onderzochten de effectiviteit van hypnose (Moene et al., 2002; Moene et al., 2003) en één de effectiviteit van paradoxale intentie (een soort cognitieve gedragstherapie) (Ataoglu et al., 2003). De eerste studie naar hypnose (Moene et al., 2002) liet geen significante verschillen zien tussen de hypnosegroep en de groep die standaardtherapie kreeg. De andere studie naar hypnose (Moene et al., 2003) toonde een significante verbetering in de scores Video Rating Scale for Motor Conversion Symptoms (VRMC) en International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH) na behandeling met hypnose ten opzichte van geen behandeling. De randomized controlled trial (RCT) naar paradoxale intentie (Ataoglu et al., 2003) liet in de laatste twee weken van de follow-up een significant lager percentage conversiesymptomen zien bij de groep die behandeld was met paradoxale intentie, ten opzichte van de controlegroep die behandeld werd met alleen diazepam. Door de kleine onderzoekspopulaties, het ontbreken van een gedetailleerde rapportage over de aanvalsfrequentie en/of de kwaliteit van leven, is de bewijskracht voor deze drie studies zeer beperkt.

Na het verschijnen van de Cochrane review zijn er nog enkele kleine (pilot) randomized controlled studies verschenen. In een gerandomiseerde studie naar cognitieve gedragstherapie (Goldstein et al., 2010) lijkt de behandeling effectiever dan placebo. Er werden 66 volwassen patiënten met PNEA onderzocht, waarbij 33 patiënten gedurende vier maanden (12 sessies) cognitieve gedragstherapie ondergingen. Deze groep scoorde na vier maanden een significant lagere (gemiddelde) aanvalsfrequentie ten opzichte van de controle groep. Beide groepen verschilden niet in veranderingen in werk, angst en depressie. Voor de bruikbaarheid van de studie is het een probleem dat om behandeltechnische redenen vaak afgeweken moest worden van het protocol. Het mogelijk positieve resultaat van deze behandeling wordt ondersteund door een kleine prospectieve cohort studie van LaFrance (LaFrance et al., 2009). Hierin werd ook gebruikt gemaakt van cognitieve gedragstherapie. Hierbij werd een groep van 21 volwassen patiënten met diagnose PNEA onderzocht die gedurende 12 weken iedere week een uur cognitieve gedragstherapie ondergingen. De gemiddelde afname in aanvalsfrequentie ten opzichte van de baseline was 35% (7.1 aanvallen per week (SD14.6) vs 10.9 (SD13.9)). Ook toonde de groep ten opzichte van de baseline verbeterde scores voor depressie, moeheid, somatische klachten, kwaliteit van leven en psychosociaal functioneren. De onderzoekspopulatie was te klein om een significant verschil te laten zien.

In een andere kleine gerandomiseerde studie werd het effect van medicatie onderzocht (LaFrance et al., 2010). In deze dubbelblinde pilotstudie werd sertraline (19 patiënten) vergeleken met placebo (19 patiënten). Na 12 weken behandeling werd er in de interventiegroep een significante afname van de aanvalsfrequentie gevonden, terwijl de aanvalsfrequentie in de placebogroep toenam (45% afname en 8% toename). Hetzelfde gold voor symptomen van depressie en angst. Vanwege de kleine groepsgrootte is de bewijskracht van deze uitkomsten  beperkt.

In een andere kleine gerandomiseerde studie van LaFrance (LaFrance et al., 2014) werd het effect van drie verschillende interventies en van standaardbehandeling op de aanvalsfrequentie onderzocht. Negen patiënten kregen psychotherapie, negen patiënten kregen sertraline, tien patiënten kregen psychotherapie in combinatie met sertraline en tien patiënten kregen standaardbehandeling. Bij de patiënten die standaardbehandeling kregen veranderde de aanvalsfrequentie niet. In groepen die psychotherapie, sertraline of de combinatie van beide ontvingen, verminderde de aanvalsfrequentie (respectievelijk met 51.4, 26.5 en 59.3%). Alleen in de groepen die psychotherapie of psychotherapie in combinatie met sertraline kregen was deze daling significant. De aantallen waren niet groot genoeg om de interventies ook met elkaar te vergelijken. De bewijskracht is daarom beperkt.

In de loop van de tijd zijn dus allerlei behandelmethoden onderzocht, met wisselend succes, waarschijnlijk mede doordat dé PNEA-patiënt niet bestaat en men te maken heeft met zeer diverse oorzaken. Het belangrijkste lijkt toch te zijn dat er binnen de PNEA-patiënten subgroepen worden gedefinieerd waarvoor behandelmethoden getest kunnen gaan worden op effectiviteit.

Conclusies

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met paradoxale intentie, minder aanvallen vertonen dan patiënten die behandeld worden met diazepam.

(Baker, et al., 2007) 


Laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met cognitieve gedragstherapie minder aanvallen vertonen dan patiënten die niet behandeld worden.

(Goldstein, et al., 2010) 


Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met cognitieve gedragstherapie een verbetering van kwaliteit van leven vertonen.

(LaFrance, et al., 2009) 


Laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met sertaline minder aanvallen vertonen dan patiënten die behandeld worden met een placebo.

(LaFrance, et al., 2010) 


Laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met psychotherapie of psychotherapie in combinatie met sertaline een verminderde aanvalsfrequentie vertonen.

(LaFrance, et al., 2014


 Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat patiënten met PNEA die behandeld worden met sertraline een verminderde aanvalsfrequentie vertonen.

(LaFrance, et al., 2014