Overwegingen

De middelen fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine en oxcarbazepine leiden bij een minderheid van de patiënten tot stijging van de leverenzymen. Ervaring leert dat een asymptomatische, niet-progressieve verhoging van de ƴ-GT, ALAT en ASAT van tweemaal de normale waarde of minder, geen aanleiding hoeft te zijn tot wijziging van de behandeling. Valproaat kan in zeer zeldzame gevallen leiden tot een fulminante leverontsteking. De incidentie is het hoogst bij kinderen onder twee jaar met een polytherapie en pre-existent cerebraal lijden. Bij aanwijzingen voor een mitochondriale aandoening moet valproaat vermeden worden. Bij deficiëntie van het DNA -polymerase γ (POLG) kan blootstelling aan valproaat leiden tot een ernstige hepatotoxiciteit (zie ook > Genetisch onderzoek).

Routinematige controles van de leverenzymen worden niet aanbevolen. Te overwegen valt een eenmalige controle te doen in de maanden na het starten van een behandeling met fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine en oxcarbazepine. Een incidentele controle bij de start van valproaat heeft geen voorspellende betekenis ten aanzien van de kans op het ontwikkelen van een fulminante hepatitis.

Ervaring leert dat middelen als carbamazepine en fenytoïne in een minderheid van de patiënten kunnen leiden tot een leukopenie. Valproaat is geassocieerd met een thrombopenie en thrombopathie. Een eenmalige controle van deze parameters in de maanden na start van de behandeling valt te overwegen. Bij valproaat is aan te bevelen de stollingsparameters en bloedingstijd te controleren voorafgaande aan een microchirurgische ingreep.

Carbamazepine en oxcarbazepine kunnen in 20% van de gevallen aanleiding geven tot een hyponatriëmie. Het betreft een geleidelijke, stabiele daling vergelijkbaar met inappropiate ADH-secretie. Bij ouderen komt dit effect vaker voor dan op jongere leeftijd. Het risico is verhoogd wanneer tevens diuretica worden gebruikt. De afwijking gaat doorgaans niet met symptomen gepaard en wordt meestal bij toeval of bij gericht controleren ontdekt. Bij een geringe daling (Na >127 mmol/l) wordt een lichte vochtbeperking aanbevolen (intake <1500 cc/dag), en een jaarlijkse controle van het natriumgehalte. Bij een daling van het natriumgehalte tot 120-127 mmol/l wordt een stringenter vochtbeperking aanbevolen (<1000 cc/dag) en maandelijkse controles. Bij waarden onder 120 mmol/l wordt geadviseerd te zoeken naar alternatieve behandelingen, tenzij er aanwijzingen zijn voor een passagère waterintoxicatie.

Een eenmalige bepaling van relevante parameters enkele weken na de start van een geneesmiddel kan van waarde zijn bij het voorschrijven van fenytoïne (leverenzymen), carbamazepine en oxcarbazepine (leverenzymen, leucocyten, natrium), fenobarbital (leverenzymen) en valproaat (leucocyten en thrombocyten).