Zoekstrategie


Lees meer

Voor deze uitgangsvraag is gekeken naar de aanbevelingen die over dit onderwerp worden gegeven in de NICE-richtlijn (NICE-richtlijn, 2012). Deze aanbevelingen zijn sinds de richtlijn van 2004 niet meer herzien. Daarom is ervoor gekozen om voor deze uitgangsvraag aanvullend een systematisch literatuuronderzoek te doen. Het literatuuronderzoek is verricht in de databases Pubmed, Psychinfo en the Cochrane Library. Er werd gezocht naar literatuur over de indicatie voor neuropsychologisch onderzoek bij patiënten met epilepsie. Vanwege een groot aantal treffers is uit deze treffers een selectie gemaakt van artikelen die iets zeggen over de indicatie voor neuropsychologisch onderzoek gecombineerd met EEG, of neuropsychologisch onderzoek gecombineerd met functionele MRI. Ook is er gekeken naar de indicatie voor neuropsychologisch onderzoek bij het gebruik van anti-epileptica. Uiteindelijk zijn er vijf artikelen geïncludeerd op basis van de criteria:

  • De studie heeft als uitkomstmaat cognitieve status.
  • De studie betreft een systematische review, randomized controlled trial (RCT), cohortstudie of case-control studie
  • De studie is gepubliceerd in 2004 of later.

Samenvatting van de literatuur


Lees meer

In de NICE-richtlijn 2012 staan de volgende aanbevelingen over de indicatie voor neuropsychologisch onderzoek bij patiënten met epilepsie (NICE-richtlijn, 2012):

  • Neuropsychologisch onderzoek moet overwogen worden bij kinderen, adolescenten en volwassenen bij wie het van belang is om cognitieve en leerproblemen te evalueren, vooral waar het taal en geheugen betreft.
  • Er is een indicatie voor neuropsychologisch onderzoek
    • wanneer een kind, adolescent of volwassene met epilepsie problemen heeft op het gebied van school of werk;
    • wanneer met MRI een afwijking is aangetoond in hersengebieden die belangrijk zijn voor cognitie;
    • wanneer een kind, adolescent of volwassene klachten heeft op het gebied van geheugen, of cognitieve problemen en/of cognitieve achteruitgang ervaart.

Uit het aanvullend literatuuronderzoek blijkt dat de literatuur voor deze uitgangsvraag beperkt is. In totaal zijn er vier observationele etiologische onderzoeken geïncludeerd; deze studies worden hieronder beschreven. Bij het beoordelen van de literatuur kan een onderscheid worden gemaakt tussen studies die iets zeggen over de combinatie van neuropsychologisch onderzoek en EEG-registratie en studies die iets zeggen over de combinatie van neuropsychologisch onderzoek en functioneel MRI-onderzoek. Daarnaast is er een recente niet-systematische review geïncludeerd over de cognitieve bijwerkingen van anti-epileptica.

Indicatie neuropsychologisch onderzoek in combinatie met EEG-registratie

Aldenkamp & Arends (Aldenkamp & Arends, 2004) voerden een prospectief open vergelijkend onderzoek uit bij kinderen met epilepsie van 7 tot 12 jaar (n=152). Hiermee toonden zij aan dat epileptiforme EEG-ontladingen een negatief effect kunnen hebben op basale cognitieve functies, zoals aandacht en mentale snelheid  (p=0.03). Als deze effecten over een langere periode aanhouden, kunnen ook hogere cognitieve functies, zoals het geheugen en uiteindelijk intelligentie, aangetast worden. Eenzelfde verband werd gevonden bij zeer korte aanvallen met subtiele symptomatiek. Daarom wordt geconcludeerd dat een combinatie van neuropsychologisch onderzoek en EEG-registratie wenselijk is bij het vermoeden op cognitieve verslechtering met als mogelijke oorzaak subtiele aanvallen of epileptiforme EEG-ontladingen. Als hierbij een verband tussen cognitieve verslechtering en EEG-ontladingen wordt gevonden, kan dat aanleiding zijn voor het behandelen van de epileptiforme activiteit of voor daadkrachtigere behandeling van de aanvallen (Aldenkamp & Arends, 2004).

De prospectieve vergelijkende studie van Nicolai et al. (Nicolai et al., 2012), bij kinderen van 6 tot 17 jaar met epilepsie, laat ook zien dat interictale epileptiforme EEG-afwijkingen effect hebben op de cognitieve status van de kinderen. Bovendien tonen Nicolai et al. (Nicolai et al., 2012) aan dat subtiele, moeilijk detecteerbare aanvallen een significant effect kunnen hebben op de cognitieve status (IQ; woordherkenning; figuurherkenning; nonverbaal geheugen; lezen, p<0.001). Zij komen hiermee tot een vergelijkbare conclusie dat een gecombineerd neuropsychologisch onderzoek en EEG-registratie nuttig is bij patiënten die opvallende cognitieve stoornissen of fluctuaties vertonen met als oorzaak frequente interictale ontladingen, danwel subtiele, moeilijk te detecteren aanvallen (Nicolai et al., 2012).

Indicatie neuropsychologisch onderzoek in combinatie met functionele MRI

In een studie van Vlooswijk et al. (Vlooswijk et al., 2008) bij 16 patiënten werd onderzocht of het aantal gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen gedurende het hele leven van de patiënt van invloed is op het cognitieve functioneren. De uitkomst werd bepaald met neuropsychologische tests en met functionele MRI waarbij gekeken werd naar de spreiding van de hersenactiviteit in de frontale en temporale gebieden. Er werd aangetoond dat een groter aantal aanvallen gepaard gaat met een lager het IQ (p=0,01). Bij het functionele MRI-onderzoek werd een relatie gezien tussen een groter aantal aanvallen enerzijds en een hogere activiteit in de prefrontale regio (p<0.01) en in de cingulate regio (p=0.02) anderzijds. De relatie tussen een groter aantal aanvallen en lagere activitatie in de frontotemporale regio was net niet significant (p=0.05).

In een andere studie van Vlooswijk et al. (Vlooswijk et al., 2011) werd met functionele MRI gekeken naar het effect van chronische locatie-gerelateerde epilepsie met een frontaal of temporaal focus, op veranderingen in de hersenstructuur. Hierbij werd een groep van 41 patiënten met locatie-gerelateerde epilepsie vergeleken met 23 gezonde controles. Ook werd het IQ van de deelnemers getest. In de patiëntengroep werd een lager IQ gevonden dan in de controlegroep (p<0.01). In de patiëntgroep werden met behulp van functionele MRI, aanwijzingen gevonden voor een verstoorde netwerkintegriteit. Ook werd een trend gezien tussen een lager IQ en een ernstigere locale segregatie in de hersenen.

Indicatie neuropsychologisch onderzoek bij gebruik van anti-epileptica

Er is veel literatuur gepubliceerd over de cognitieve bijwerkingen van anti-epileptica. Vanwege de beperkte kwaliteit van deze studies heeft de werkgroep ervoor gekozen zich te beperken tot een recente review van Eddy et al. (Eddy et al., 2011). Dit betreft een niet-systematische review waarin originele onderzoeken naar cognitieve bijwerkingen per anti-epilepticum worden beschreven. Eddy et al. concluderen dat studies vaak niet corrigeren voor confounders, er veel heterogeniteit in studie-opzet en beoordeling voorkomt en dat de methodologie en uitkomstmaten vaak slecht gerapporteerd worden (Eddy et al., 2011). De studies geven aanwijzingen dat bepaalde anti-epileptica verschillende soorten cognitieve bijwerkingen kunnen veroorzaken, zoals verminderde aandacht en een verlaagde reactiesnelheid. Het voorkomen en de ernst van deze bijwerkingen blijken afhankelijk van de karakteristieken van de patiënt en diens individuele gevoeligheid.

Conclusies

Matig

De cognitieve status van kinderen laat verslechtering zien bij frequente interictale epileptiforme EEG-afwijkingen.

(Aldenkamp & Arends, 2004; Nicolai et al., 2012)

 

 Matig

De cognitieve status van kinderen laat verslechtering zien bij subtiele, moeilijk te detecteren aanvallen.

(Aldenkamp & Arends, 2004; Nicolai et al., 2012)

 

Laag

Het aantal gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen dat een patiënt in zijn leven gehad heeft is van invloed op het IQ en de hersenactiviteit in prefrontale, frontotemporale en cingulate regio. Dit is te zien met functionele MRI.

(Vlooswijk et al., 2008)

 

Laag

Bij patiënten met chronische locatie-gerelateerde epilepsie bestaat een relatie tussen het IQ en de locale segregatie in de hersenen. Dit is te zien met functionele MRI.

(Vlooswijk et al., 2011)

 

Zeer laag

Anti-epileptica kunnen cognitieve bijwerkingen hebben, afhankelijk van de karakteristieken en gevoeligheid van de patiënt.

(Eddy et al., 2011)