Zoekstrategie


Lees meer

Voor deze uitgangsvraag wordt gebruik gemaakt van de NICE-richtlijn met betrekking tot klinisch neurofysiologisch onderzoek (NICE-richtlijn, 2012). Daarnaast is er systematisch naar literatuur over EEG gezocht in de databases Medline en the Cochrane Library vanaf 1995. Uiteindelijk zijn er vier artikelen geïncludeerd. Doordat de zoekstrategie onvoldoende artikelen opleverde voor de dagelijkse praktijk, heeft de werkgroep besloten om het literatuuronderzoek ter oriëntatie te gebruiken en de resultaten aan te vullen met praktische literatuur die bekend is bij de werkgroep. 

Samenvatting van de literatuur


Lees meer

NICE-aanbevelingen

De NICE-richtlijn 2012 (NICE-richtlijn, 2012) geeft enkele praktische onderbouwde adviezen:

  • Een EEG bij kinderen, adolescenten en jong volwassenen moet uitgevoerd worden kort nadat het is aangevraagd.
  • EEGs moeten alleen worden aangevraagd als de anamnese aannemelijk maakt dat de aanvallen epileptisch zijn.
  • Het wordt afgeraden om EEG te verrichten bij hoge verdenking op syncope, vanwege de kans op vals-positieve resultaten.
  • Het interictale EEG kan niet worden gebruikt om de diagnose epilepsie uit te sluiten.
  • Behalve met slaapdeprivatie kan ook met melatonine een slaap-EEG verkregen worden.

Recente literatuur

McGonigal et al. (McGonigal et al., 2004) keken bij 143 patiënten met aanvallen naar het nut van kortdurend (40 tot 50 minuten) video-EEG om te bepalen of aanvallen epileptisch of niet-epileptisch zijn. Bij 83 van de 143 patiënten (58%) kon een aanval worden geregistreerd en bij 72 van de143 (50.3%) kon ook een diagnose worden gesteld. Op basis van deze studie kunnen geen uitspraken worden gedaan over de juistheid van de diagnose, aangezien er geen referentietest is gedaan.

Een meta-analyse keek naar het nut van interictaal EEG voor het bepalen van de kans op een aanvalsrecidief en daarmee samenhangend, de keuze van behandeling (Gilbert et al., 2003). In 25 studies met in totaal 4912 EEG-resultaten, werd een specificiteit gevonden van 0.13-0.99 en een sensitiviteit van 0.2-0.91. De test voor heterogeniteit was voor beide uitkomstmaten significant (p<0.001). Verschillen in criteria die de beoordelaars gebruikten voor wat een epileptiform afwijkend EEG is, verklaarde 37% van de variatie in de uitkomsten. Dit benadrukt dat EEGs niet te gemakkelijk als epileptiform afwijkend moeten worden geïnterpreteerd. Daarom moet bij twijfel het EEG  worden gereviseerd door een ander, of worden herhaald om meer zekerheid te verkrijgen.

Riviello et al. (Riviello et al., 2006) publiceerden een systematische review naar het beoordelen van status epilepticus bij kinderen, onder andere met behulp van EEG. De 413 EEGs werden verricht uren tot dagen na het debuut van de status. 90% van deze EEGs lieten abnormale bevindingen zien. Bij 43% van de EEG-resultaten werden (nog steeds) epileptiforme afwijkingen gevonden. Deze EEGs droegen bij aan de classificatie van de epilepsie en localisatie van het focus.

In de studie van Colon et al. (Colon et al., 2009) werd retrospectief gekeken naar 51 patiënten met verdenking op epilepsie en een onduidelijk EEG. Zij werden vervolgens onderzocht  met een EEG na slaapdeprivatie en MEG. Op basis van alle informatie kregen 37 van deze patiënten de diagnose epilepsie. Van deze patiënten werd de diagnose bij 15 patiënten (41%)  bevestigd door MEG, bij 27 patiënten (73%) op zijn minst ondersteund door MEG en bij 7 patiënten (19%) niet ondersteund door MEG. Met EEG na slaapdeprivatie werd de diagnose bij 11 patiënten (30%) bevestigd, bij 23 patiënten (62%) op zijn minst ondersteund en bij 11 patiënten (30%) niet ondersteund. De verschillen tussen MEG en EEG na slaapdeprivatie bleken niet significant.

Dlugos et al. (Dlugos et al., 2013) richten zich op kinderen met klassieke absence epilepsie en kenmerken van het EEG wanneer zij nog niet behandeld worden. Zij bevestigen de hoge sensitiviteit van het EEG voor dit epilepsiesyndroom, waarbij het eerste EEG vrijwel altijd 3 Hz gegeneraliseerde piekgolfreeksen bevat. Bij reeksen langer dan 20 s is er altijd sprake van verminderd cognitief functioneren. Een nieuwe bevinding is dat wanneer de reeksen meestal korter zijn dan 7.5 s, dit geassocieerd is met verminderde kans op aanvalsvrijheid bij behandeling. Het EEG voor behandeling bij een kind met klassieke absence epilepsie heeft dus voorspellende waarde voor behandelsucces.

Conclusies

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat met een 1-uurs video-EEG bij ongeveer 50% van de patiënten met aanvallen bepaald kan worden of de aanvallen epileptisch of niet-epileptisch van aard zijn.

(McGonigal et al., 2004) 

 

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat voor het bepalen van de kans op een aanvalsrecidief met behulp van EEG-registratie een specificiteit geldt van 0.13-0.99 en een sensitiviteit van 0.2-0.91. De ruime marges kunnen deels verklaard worden door een verschillend gebruik van afkapwaarden voor het beoordelen van een EEG als epileptiform afwijkend.

 (Gilbert et al., 2003) 

 

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat EEG-onderzoek kort na een status epilepticus bij kinderen in ongeveer 43% van de gevallen bijdraagt aan de classificatie van de epilepsie en/of het lokaliseren van de focus.

 (Riviello et al., 2006) 

 

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat bij patiënten met verdenking op epilepsie na een onduidelijk eerste EEG, een EEG na slaapdeprivatie bij ongeveer 62% bijdraagt aan het stellen van de diagnose en bij 30% van de patiënten de diagnose kan bevestigen.

 (Colon et al., 2009)

 

Zeer laag

Er zijn aanwijzingen dat bij patiënten met verdenking op epilepsie na een onduidelijk eerste EEG, MEG-onderzoek bij ongeveer 73% bijdraagt aan het stellen van de diagnose en bij 41% van de patiënten een diagnose kan bevestigen.

 (Colon et al., 2009)